Introductie
Ontstaan van bezit en bestuursstructuur (gerechten)


Instellingen, bezitsvormen en belastingregistraties
Grondbezit was niet alleen een zaak van particulieren; binnen de provincie Utrecht opereerden ruim 300 instellingen, waaronder veel geestelijke instellingen, die voor de financiering van hun doelstellingen inkomsten uit onroerend goed gebruikten. De hierboven genoemde gerechtelijke administraties gaan over het algemeen niet verder terug dan het begin van de 17e eeuw; die van de geestelijke instellingen vaak tot het begin van de 15e eeuw.
Bezit kende vele vormen en relaties, waaronder gedeeld bezit. Leengoed, waarin zowel de leenheer als de leenman rechten hadden, kon uit de leenband worden losgemaakt door betaling door de leenman van een derde van de waarde van de grond. Allodiaal bezit kon “uit eigen” worden opgedragen aan een leenheer en als leen worden terugontvangen. Deze leengoederen werden aanvankelijk niet geregistreerd binnen de bovengenoemde gerechten, maar binnen afzonderlijke leenhoven, evenals een bepaalde vorm van tijnsgoed dat voor een tijnshof werd geadministreerd. Leengoed dat werd verworven door een geestelijke instelling werd geallodialiseerd; geestelijken mochten immers niet vechten. Ook erfpacht was een veelvoorkomende vorm van gedeeld bezit en werd vaak gebruikt voor schenkingen aan kerkelijke instanties. Bij het sluiten van een erfpachtovereenkomst bleef de erfpachter bezitter zolang hij de overeengekomen canon aan de betreffende instelling betaalde.
Veel grondbezitters gebruikten hun grond niet zelf, maar verpachtten deze. Dat blijkt met name uit de registers van de grondbelasting: het morgengeld, geheven door de bisschop, en later het oudschildgeld, geïnd door de Staten van Utrecht. Deze bezitsregistraties vormen een belangrijke bron voor dit onderzoek. Het morgengeld werd vanaf het einde van de 14e eeuw geheven en rond 1540 door Karel V vervangen door het oudschildgeld. Samen vormen zij kadastrale registraties voor een groot deel van de provincie tot aan het begin van de Franse tijd, al is hiervan slechts een beperkt deel bewaard gebleven.
Instellingen, bezitsvormen en belastingregistraties
Grondbezit was niet alleen een zaak van particulieren; binnen de provincie Utrecht opereerden ruim 300 instellingen, waaronder veel geestelijke instellingen, die voor de financiering van hun doelstellingen inkomsten uit onroerend goed gebruikten. De hierboven genoemde gerechtelijke administraties gaan over het algemeen niet verder terug dan het begin van de 17e eeuw; die van de geestelijke instellingen vaak tot het begin van de 15e eeuw.
Bezit kende vele vormen en relaties, waaronder gedeeld bezit. Leengoed, waarin zowel de leenheer als de leenman rechten hadden, kon uit de leenband worden losgemaakt door betaling door de leenman van een derde van de waarde van de grond. Allodiaal bezit kon “uit eigen” worden opgedragen aan een leenheer en als leen worden terugontvangen. Deze leengoederen werden aanvankelijk niet geregistreerd binnen de bovengenoemde gerechten, maar binnen afzonderlijke leenhoven, evenals een bepaalde vorm van tijnsgoed dat voor een tijnshof werd geadministreerd. Leengoed dat werd verworven door een geestelijke instelling werd geallodialiseerd; geestelijken mochten immers niet vechten. Ook erfpacht was een veelvoorkomende vorm van gedeeld bezit en werd vaak gebruikt voor schenkingen aan kerkelijke instanties. Bij het sluiten van een erfpachtovereenkomst bleef de erfpachter bezitter zolang hij de overeengekomen canon aan de betreffende instelling betaalde.
Veel grondbezitters gebruikten hun grond niet zelf, maar verpachtten deze. Dat blijkt met name uit de registers van de grondbelasting: het morgengeld, geheven door de bisschop, en later het oudschildgeld, geïnd door de Staten van Utrecht. Deze bezitsregistraties vormen een belangrijke bron voor dit onderzoek. Het morgengeld werd vanaf het einde van de 14e eeuw geheven en rond 1540 door Karel V vervangen door het oudschildgeld. Samen vormen zij kadastrale registraties voor een groot deel van de provincie tot aan het begin van de Franse tijd, al is hiervan slechts een beperkt deel bewaard gebleven.

Het GIS, een voorbeeld en het doel van het onderzoek
